Share/Save/BookmarkStuur naar een vriendAfdrukken

Verschenen

Succes niet gegarandeerd (Trends, pag. 8 21/03/2013)

21/03/2013 09:08 - Verschenen

Ruim 2,4 procent van zijn bruto binnenlands product geeft Vlaanderen aan onderzoek en ontwikkeling. Maar vorige week kwam er kritiek omdat multinationals het gros van de innovatiesubsidies opslokken.

De economische crisis zet geen rem op de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (O&O) in Vlaanderen. Sterker nog: uit het recentste rapport van het Expertisecentrum voor O&O-monitoring (Ecoom) blijkt dat Vlaanderen met 2,4 procent van het Vlaamse bruto binnenlands product (bbp) meer dan ooit investeert in innovatie.

Dat is goed nieuws, want niet enkel fabrieken verhuizen, ook kennis is gemakkelijk te verplaatsen. Kijk maar naar de inhaalbeweging die producenten uit het Oosten hebben gemaakt. Alleen echt vernieuwende knowhow geeft nog een voorsprong op de competitie uit lagelonenlanden. In een regio als Vlaanderen, waar kennis zowat de enige grondstof is voor het uitbouwen van de welvaart, is innovatie dan ook van groot belang.

Ecoom screent om de twee jaar uitgebreid de onderzoeksuitgaven in Vlaanderen. Daartoe voert het centrum een enquête uit bij Vlaamse bedrijven en kennisinstellingen. Ruim 60 procent van de 5000 aangeschreven bedrijven nam deel aan de editie 2012 van het onderzoek. Daaruit kwam naar voren dat de stijging van de onderzoeksuitgaven in Vlaanderen nooit groter was dan in 2010 en 2011.

De Vlaamse raad voor Wetenschap en Innnovatie (VRWI) is erg gelukkig met de recente stijging van de onderzoeksbudgetten tot 2,4 procent van het bbp. Zo komt de norm van 3 procent van het bbp tegen 2014, die Vlaanderen vooropstelde in zijn Pact 2020, weer in zicht. Daarmee bevestigde Vlaanderen zijn innovatiepact uit 2003, waarin het op zijn beurt de Europese Lissabon-agenda van 2000 vertaalde.

De stijging van de O&O-uitgaven is vooral te verklaren doordat bedrijven de jongste twee jaar meer geld investeerden in innovatie. We zien bedrijven op eigen kracht meer uitgeven aan onderzoek, zegt Koenraad Debackere, de gedelegeerd bestuurder van KU Leuven Research en Development en een van de auteurs van het Ecoom-rapport. Tussen 2009 en 2011 hebben ze 700 miljoen euro meer aan onderzoek gespendeerd dan twee jaar eerder.

Dat oogt allemaal fraai, maar er kwam eerder deze maand ook kritiek op het innovatiebeleid. Op een parlementaire vraag van Lode Vereeck (LDD) gaf Vlaams minister van Innovatie Ingrid Lieten toe dat het gros van de innovatiesubsidies die het Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie (IWT) in 2012 uitreikte, naar multinationals was gegaan.

Voor 2013 heeft het IWT 316 miljoen ter beschikking. Daarvan gaat 120 miljoen naar innovatiesubsidies voor bedrijven. Innovatietrajecten bij grote bedrijven waren vorig jaar goed voor 84 miljoen euro. Slechts 22,5 miljoen ging naar de kmo-programmas. Die specifieke programmas voor kmos hebben een subsidielimiet van 250.000 euro. Het gewone steunprogramma is strenger voor de aanvrager, maar heeft een limiet van 4 miljoen euro.

Voor een correct beeld van de verdeling van onze innovatiesteun tussen kmos en grote bedrijven moet je ook kijken naar kmos die deelnemen aan het gewone steunprogramma, verklaart IWT-directeur Veerle Lories. Als je daarmee rekening houdt, vloeit ongeveer een derde van onze innovatiesteun naar de kmos.

Dat kmos de weg naar de subsidiepotten minder vlot vinden dan grote bedrijven, is een oud zeer. Dat is al sinds de oprichting van het IWT in 1991 een aandachtspunt. Maar het Ecoom-rapport doet vermoeden dat de inspanningen om meer kmos te betrekken bij innovatie eindelijk zoden aan de dijk zetten. Koenraad Debackere spreekt van een frappante stijging: Tussen 2009 en 2011 is het innovatiebudget bij kmos gestegen van 94 naar 114 miljoen.

Dat er een verschuiving bezig is, bevestigen ook de cijfers die minister Lieten vrijgaf. Zo zijn de uitgaven voor het kmo-programma van het IWT de jongste jaren wel degelijk gestegen: van 14,6 miljoen in 2007 tot 22,5 miljoen in 2012. Minister Lieten kondigde vorige week overigens opnieuw een aantal initiatieven aan om kmos nog beter te begeleiden.

Die grotere aandacht voor kmos is een gevolg van het rapport-Soete II, dat vorig jaar een update maakte van het innovatielandschap in Vlaanderen. De experts die daarbij betrokken waren, besloten onder andere dat er meer aandacht moest gaan naar innovatie bij kmos. Want vooral bij kmos leidt innovatiesteun ook tot bijkomende werkgelegenheid.

Toch is enige nuance op zijn plaats. Luc Soete zelf benadrukte in Trends naar aanleiding van de publicatie van het rapport al dat er grenzen zijn aan een stimuleringsbeleid voor kmos. Niet alle kmos hebben een boodschap aan nog maar eens een instrument om innovatie te bevorderen, luidde zijn redenering. In een nieuwe reactie zegt Soete nu: Er is een groot aantal kmos dat zonder hightech goed presteert in zijn niche. Zulke bedrijven voelen niet altijd de behoefte tot onderzoeksgedreven innovatie. De groep van innoverende hightech-kmos is niet zo groot. De vraag is of IWT die groep van bedrijven wel bereikt.

Innovatiesubsidies zijn beleidsinstrumenten voor de lange termijn. Het IWT bestaat nu bijna 25 jaar. Tijd dus om zich af te vragen of de inspanningen om Vlaanderen als innovatieve onderzoeksregio op de kaart te zetten, ook lonen. Uit de gegevens van Ecoom blijkt alleszins dat het aantal werknemers in O&O tussen 2001 en 2011 is gestegen van 34.666 naar 39.282. Dat zijn 460 extra arbeidsplaatsen in onderzoek en ontwikkeling per jaar.

Toch wijst Lode Vereeck op een opvallende tendens. In de twintig bedrijven die de jongste tien jaar de meeste IWT-subsidies opslokten bijna 360 miljoen euro is de werkgelegenheid met een kwart gedaald. Ruim 7000 werknemers verloren hun baan. Soete: Dat verwondert mij niet, stelt Soete. Het geeft goed aan dat nieuwe werkgelegenheid veelal niet komt van de gevestigde innovatieve hightechbedrijven, maar van nieuwkomers.

In haar reactie in het Vlaams Parlement benadrukte minister Lieten dat het geen kwestie is van kiezen tussen grote bedrijven en kmos. De Vlaamse economie heeft beide nodig, stelde ze. Met andere woorden: de innovatiesteun aan die twintig slokops is zeker geen weggegooid geld. Al was het maar omdat het banenverlies zonder die innovatiesubsidies nog veel groter was geweest.

Die multinationals opereren in een gemondialiseerde economische context. Vrij vertaald betekent dat vooral dat een deel van hun industriële activiteiten in ons land ten dode is opgeschreven. Het model is net dat ze via doorgedreven innovatie nieuwe activiteiten ontwikkelen, die een stukje welvaart hier houden. Umicore is daarvan een goed voorbeeld. Dat is niet meer hetzelfde bedrijf als tien jaar geleden. Het is geëvolueerd en heeft bepaalde activiteiten afgestoten. Niet alle banen in die afgestoten divisies zijn verdwenen. Tel die werknemers bij het werknemersbestand van Umicore en je krijgt een heel ander beeld. Ook Barco en Janssen Pharmaceutica hebben zichzelf al een paar keer opnieuw proberen uit te vinden.

Bovendien steken die bedrijven, naast de innovatiesteun die ze van het IWT krijgen, zelf ook veel geld in onderzoek, relativeert Lories. In het geval van Barco en Janssen Pharmaceutica is dat zelfs een veelvoud van de subsidies voor de ondersteunde projecten.

De vraag naar het economische resultaat wordt misschien onvoldoende gesteld, maar dat betekent nog niet dat multinationals innovatiesteun gebruiken om werkgelegenheid te exporteren. Innovatie is misschien wel de heilige graal, maar ze geeft innoverende bedrijven niet meteen het eeuwige leven. Iedere durfkapitalist weet dat investeringen in onderzoek mis kunnen lopen. Hetzelfde geldt uiteraard voor innovatiesteun.

Wij subsidiëren een technologisch risico, zegt Lories. Een resultaatsverbintenis is dus per definitie niet mogelijk, omdat het technologische potentieel niet altijd haalbaar blijkt. Toch hebben we voorwaarden ingebouwd. Zo moet als een onderzoeksprogramma succesvol is de valorisatie voor de Vlaamse economie tien keer hoger zijn dan de geïnvesteerde subsidie.

© 2013 Roularta Media Group

Roeland Byl - Trends, pag. 22