Share/Save/BookmarkStuur naar een vriendAfdrukken

Opinies

Overvolle auditoria een garantie voor economische groei?

17/09/2009 14:36 - Opinie - Onderwijs

Democratisering van het hoger onderwijs en gelijke kansen zijn mooie slogans. Het beleid dat onder de paraplu van deze slogans wordt verkocht heeft echter vaak gevolgen die haaks staan op de beoogde doelstellingen.

Dat stellen Boudewijn Bouckaert en Anne de Baetzelier in een opiniestuk.

De academische wereld kijkt met argusogen naar het toenemend aantal eerstejaarsstudenten aan universiteiten hogescholen, want er bieden zich opvallend meer studenten aan uit het technisch secundair onderwijs. 

Krantentitels zoals 'Hoe meer studenten, hoe lager het niveau', liegen er niet om. Er wordt zelfs gefluisterd dat een universitair diploma aan waarde verliest, als gevolg van de democratisering van voormalig minister van onderwijs Frank Vandenbroucke.

Het aantal ingeschrevenen aan de universiteiten zit de voorbije jaren inderdaad duidelijk in de lift. Maar is dit een probleem?

Voor Nobelprijswinnaar Economie Gary Becker alvast niet. Vorig jaar stelde hij op de Mont Pelerin Society in Tokyo een studie voor waarin een positief verband werd aangetoond tussen het aantal hoger geschoolden en de economische groei. Hoe hoger opgeleid, hoe rijker.  Hoger geschoolden kunnen complexere taken aan en complexe jobs hebben gemiddeld een hogere productiviteit dan simpele jobs. Hoe meer werknemers in staat zijn complexe jobs te vervullen hoe hoger het productief potentieel van een economie.

Meer diploma's in het hoger onderwijs kan dus goed nieuws betekenen, niet alleen voor de algemene intellectuele ontwikkeling, maar ook voor de toekomstige economische groei en stijging van de welvaart.

Zijn de stijgende inschrijvingscijfers aan onze Vlaamse universiteiten dus een voorbode van een stijgende economische productiviteit en een versnelde instap in de kenniseconomie?  Niet per se.

Het verband dat Becker aantoonde gaat slechts op indien de hogere scholingsgraad gepaard gaat met een stijgende of ten minste gelijkblijvende kwaliteit van de scholing en de afgeleverde diploma's.  Zijn conclusies waren vooral gebaseerd op de evolutie in de Verenigde Staten en de Aziatische groeilanden, waar het hoger onderwijs grotendeels geprivatiseerd is.  Door de concurrentiedruk kunnen de onderwijsinstellingen zich in die landen geen kwaliteitsverlaging veroorloven.

Maar wat met de kwaliteit van onze Vlaamse diploma's?  Staan stijgende inschrijvingscijfers garant voor een hogere productiviteit en een doorgroei van de kenniseconomie? Of zijn ze de voorbode van een gediplomeerd proletariaat dat permanent gefrustreerd dreigt te worden door een steeds lagere positie op de arbeidsmarkt?

 De massificatie van de bachelor-opleiding in verschillende universiteitsrichingen vormt een eerste bedreiging van de kwaliteit.  Eivolle auditoria zijn misschien een interessant forum voor mediatieke shows maar niet voor sereen en intellectueel hoogstaand onderwijs.

Universiteiten willen deze massificatie tegengaan door meerdere docenten voor eenzelfde vak aan te stellen.  Een goede docent legt een 'personal touch' in zijn cursus en kan een verzameling van feiten en regeltjes optillen tot een hoger niveau.  Maar kwaliteit kent zijn prijs, dus moeten we ons afvragen of universiteiten niet de vrijheid moeten krijgen om topdocenten aan te trekken via extra bonussen bovenop hun vastgestelde salarissen, waardoor ondermeer in de Verenigde Staten het verschil wordt gemaakt tussen middelmatige en uitmuntende professoren.  

Nog gevaarlijker voor de kwaliteit van diploma's hoger onderwijs is het systeem van outputfinanciering dat door ex-onderwijsminister Frank Vandenbroucke werd ontwikkeld.  Op papier oogt het systeem goed.  Enkel het eerste bachelorjaar wordt op inputbasis gefinancierd, daarna wordt buizen financieel afgestraft. 

Van de docenten wordt verwacht dat zij na één jaar een adequate selectie doorvoeren en de uitverkorenen naar een einddiploma leiden.  Maar hoe meer studenten door het eerste jaar komen, hoe meer er in aanmerking komen voor de outputfinanciering in de volgende jaren. 

Bovendien levert het credit-systeem van de examens een vrijstelling op wanneer een student 10 op 20 behaalt.  Maar dit systeem laat toe dat studenten op geleidelijke wijze credits kunnen opstapelen en na een paar jaar toch nog door het eerste jaar glippen.  Vraag is dus of dat eerste bachelorjaar wel als adequaat selectiemechanisme functioneert.

Subsidies toekennen naargelang het aantal afgestudeerden is dus alles behalve bevorderlijk voor de onderwijskwaliteit.  Door uitdrukkelijk  de verantwoordelijkheid voor het behalen van een diploma niet langer bij de student, maar vooral bij de professoren te leggen, wordt bij studenten de indruk gewekt dat hun diploma een verworven recht is in plaats van een certificaat dat borg staat voor kennis, competentie en prestatie. 

Bovendien is dit mechanisme onrechtvaardig tegenover getalenteerde en gemotiveerde studenten, die een universitair diploma ontvangen dat door werkgevers als minderwaardig wordt bestempeld. 

En dat we beducht moeten zijn voor mogelijke repercussies op de arbeidsmarkt blijkt uit cijfers van de VDAB over de evolutie van hooggeschoolde niet-werkende werkzoekenden (NWWZ). Ook universitair afgestudeerden krijgen het steeds moeilijker om hun weg te vinden naar de arbeidsmarkt.  In 2001 was nog 55,7 % van de afgestudeerden aan de universiteit niet ingeschreven als werkzoekende, in 2006 waren er dat nog slechts 41,6 %, tegenover 37,6 % in 2008.  De hooggeschoolden die nog werkloos waren na 1 jaar, maar wel al werkervaring hadden,  stijgen van 2,3% in 2001 naar 5,6% in 2008.

Een nivellering  of zelfs een slechtere reputatie van ons onderwijsniveau kan deze tendens nog versterken en het hoger onderwijs volledig ondermijnen.   Bijgevolg worden studenten die zich willen profileren gedwongen zich bij te scholen in het buitenland of aan dure instellingen.  

Democratisering van het hoger onderwijs en gelijke kansen zijn mooie slogans.  Het beleid dat onder de paraplu van deze slogans wordt verkocht heeft echter vaak gevolgen die haaks staan op de beoogde doelstellingen.  

De massificatie van het hoger onderwijs en de neerwaartse druk op de kwaliteit van de diploma's door de outputfinanciering zullen er op termijn toe leiden dat jongens en meisjes uit de minder bemiddelde gezinnen zich moeten tevreden stellen met diploma's die steeds minder en minder aanzien genieten op de arbeidsmarkt.  

Enkel die jongeren die - vaak duur betaalde - bijkomende diploma's behalen aan buitenlandse private instellingen  zullen de kwaliteitskloof nog kunnen dichten.  

Een eerlijk gelijke kansenbeleid moet daarom mikken op een strikte handhaving van het kwaliteitsniveau van het hoger onderwijs dat grotendeels door de belastingbetaler wordt gesubsidieerd.  

Dit kan betekenen dat de lat hoger wordt gelegd en dat daardoor minder studenten de weg naar een diploma vinden.  Maar niet de kwantiteit is belangrijk, wel de kwaliteit van de afgeleverde diploma's, opdat bekwame studenten uit bescheiden sociale milieus die de intellectuele capaciteiten bezitten om dergelijk diploma te behalen, daar ook de kans toe krijgen.

 

© Boudewijn Bouckaert, Vlaams Parlementslid LDD, voorzitter commissie onderwijs Anne de Baetzelier, Ondervoorzitter LDD