Ongeveer 100.000 Belgen volgen een antistollingstherapie met zogenaamde bloedverdunners. Daarbij horen onder meer de patiënten met hartritmestoornissen, een groep die sterk aangroeit door de vergrijzing van de maatschappij. Maar ook jonge mensen blijven niet gespaard. Vandaag volgt de huisarts deze patiënten nauwgezet op met een bloedprik. Het staal wordt ingeleverd bij een klinisch lab voor onderzoek. Op basis daarvan past de huisarts zijn medicatie eventueel aan.
De wekelijkse metingen bij alle patiënten nemen een enorm testvolume in beslag. In 2005 werden zo maar liefst drie miljoen tests meer uitgevoerd dan het jaar
voordien.
Eenvoudiger en goedkoper
De metingen hebben ongetwijfeld hun nut omdat zo ernstige pathologie vermeden wordt. Maar volgens Van Ermen kan het eenvoudiger en vooral goedkoper. Ze baseert zich op het welbekende onderzoek van dokter Nerée Claes. Die berekende
dat de patiënt 20% beter af was als hij of zij het resultaat meteen bij de huisarts verneemt, of alles zelf thuis meet. Het
aantal misverstanden tussen de verschillende betrokken partijen zou immers gevoelig teruglopen zodat er ook minder
bloedingen of tromboses optreden. Duitsland volgt die werkwijze al. Daarom stelt Van Ermen voor dat de huisarts zelf zo'n INR-meetapparaat aankoopt, of de patiënt zelf de metingen verricht met opvolging van de huisarts.
De senator verwijst naar de diabetici die zo ook hun gezondheidstoestand controleren. Niet alleen therapeutisch zou de vooruitgang aanzienlijk zijn, maar ook budgettair: het zou het budget klinische biologie met 2% drukken. De regeling zou ook een stuk praktischer zijn voor de patiënt én de maatschappij. Nu moeten die patiënten om de tien dagen naar hun huisarts om hun INR te laten meten. "Dat kost tijd én geld: benzineverbruik om naar de arts te rijden, in de wachtkamer zitten, de chauffeur van het lab die het staal komt afhalen, telefoongesprekken. Kortom: een enorme tijdsinvestering. Valt die weg, dan kan het uitgespaarde geld dan naar andere dringende zaken die de gezondheidszorg nodig heeft, suggereert ze. Ze denkt aan innovatieve technieken.
Of bijvoorbeeld meer centen voor de jeugdpsychiaters, zodat de braindrain naar Nederland opdroogt.
Van Ermen droomt er zelfs van dat Volksgezondheid in samenspraak met de huisartsen een soort hulplijn ter beschikking van de patiënt stelt. Onrealistisch? Niet echt. Nederland kent namelijk al een trombosedienst die 24 uur op 24 actief is. Toch gaapt er nog een grote kloof tussen theorie en praktijk. Zo antwoordde
minister Demotte al in 2005 dat hij werk ging maken van die suggesties, maar anno 2008 is nog niets uit de bus gekomen.
Van Ermen heeft haar voorstel tot resolutie klaar.
Wordt wellicht vervolgd.
