Share/Save/BookmarkStuur naar een vriendAfdrukken

In het parlement

Hoofddoekenverbod moet decretaal geregeld worden

15/09/2009 10:31 - In het parlement - Inburgering - Onderwijs - Vlaams - Vlaams parlement

In de commissievergadering van 14 september vroeg Boudewijn Bouckaert, minister Pascal Smet waar zijn initiatieven blijven om in de toekomst het pluralisme in het Vlaams onderwijs verder te organiseren.

Een decretaal initiatief zou het gevaar wegnemen dat het probleem van het hoofddoekenverbod  zich zal verplaatsen naar het katholiek onderwijs dat nog geen verbod heeft ingevoerd.

...

De heer Boudewijn Bouckaert: Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, collega's, wij zijn ook van oordeel dat de minister in deze heel belangrijke discussie zijn entree een beetje heeft gemist.

Dat kan ook niet anders als we weten dat in de regeringsverklaring nauwelijks melding wordt gemaakt van het feit dat er eens moet worden nagedacht over de manier waarop we in de toekomst het pluralisme in het Vlaams onderwijs verder kunnen organiseren.

Mijnheer de minister, u hebt zich verstopt achter een reeks regels die reeds voorbijgestreefd waren door de te verwachten rechtspraak van de Raad van State.

We zijn heel blij dat u in snelheid bent gepakt door het gemeenschapsonderwijs en de Antwerpse scholen. We willen hulde brengen aan het middenveld dat de moed heeft gehad om zijn verantwoordelijkheid te nemen, terwijl de politiek dat niet heeft gedaan.

Het debat gaat inderdaad verder dan over een stukje textiel. We hebben een systeem van vrijheid van onderwijs waarbij het onderwijs op een heel pluralistische manier kan worden ingericht.

Ik ben daar een groot voorstander van. Vlaanderen heeft een heel hoog onderwijsniveau door de complementaire verhouding tussen de overheid en de pluraliteit van de inrichtende machten.

Daar mag zeker niet aan geraakt worden. Anderzijds situeert de vrijheid van onderwijs zich inderdaad in een beschavingscontext die gebaseerd is op individuele vrijheid, scheiding van kerk en staat en gelijkheid van mensen, ook van man en vrouw.

Alle scholen die zich in het onderwijslandschap bevinden en zullen bevinden - en dan refereer ik aan de mogelijke oprichting van islamscholen - zijn verplicht om die civiele sokkel die met onze beschaving samenhangt, te respecteren.

Ik merk dat het gemeenschapsonderwijs het verbod reeds heeft ingevoerd. Het katholiek onderwijs heeft evenwel nog geen verbod ingevoerd. Het gevaar bestaat dat het probleem zich zal verplaatsen. Ik zou de minister dan ook willen vragen eens over een decretaal initiatief na te denken.

Ik weet dat dit niet eenvoudig is. De minister moet immers de verhouding met de grondwettelijke onderwijsvrijheid in de gaten houden.

Hoewel dit zeker geen gemakkelijke zaak is, zou hij toch eens moeten nadenken over de vraag of aan heel deze kwestie een decretale basis kan worden verleend. Op die manier zou de civiele sokkel voor alle scholen in het Vlaams onderwijslandschap gelden.

In feite vormt het spijbelen het voorwerp van de discussie die we hier voeren. Er is een spijbelactieplan.

Dit plan maakt een onderscheid tussen accidentele en berekende spijbelaars. Ik heb de indruk dat het in Antwerpen om zeer berekende spijbelaars gaat. Wat me bijzonder stoort, is dat tijdens de manifestaties tot spijbelen wordt opgeroepen. Spijbelen is een misdrijf.

Ik gebruik hier misschien grote woorden, maar ouders die spijbelen toelaten of actief stimuleren, begaan een misdrijf. Dit staat in de leerplichtwetgeving. Tijdens deze manifestaties wordt opgeroepen om een misdrijf te plegen.

De burgemeester laat deze manifestaties toe. Deze vraag is uiteraard niet tot de minister gericht. Aangezien bewezen is dat tijdens deze manifestaties actief tot spijbelen wordt opgeroepen, vraag ik me af of dergelijke toelatingen wel gerechtvaardigd zijn.

...

Minister Pascal Smet: Mijnheer de voorzitter, collega's, als ik sommigen hier bezig hoor, ben ik blij dat ik in de zomermaanden het hele onderwijslandschap nog eens goed bestudeerd heb. Ik heb de indruk dat een aantal commissieleden de basisprincipes van ons onderwijs vergeten zijn.

Het lijkt me dan ook heel nuttig om eventjes die algemene principes te herhalen. Het lijkt me overigens ook nuttig, mijnheer Bouckaert, om als toekomstig commissievoorzitter te weten dat de beslissing die het GO! genomen heeft, aan die organisatie toekomt. Geen enkele minister in dit land heeft het recht om die beslissing te nemen. Ik zal u zo dadelijk uitleggen hoe dat komt.

Collega's, we hebben in dit land een grondwettelijk gewaarborgde vrijheid van onderwijs.

Dat betekent dat elke natuurlijke of rechtspersoon die onderwijs wil organiseren, dat kan doen. We hebben een heel rijk onderwijslandschap, dat gelukkig tot een van de beste in de wereld behoort.

En in dat onderwijslandschap heeft dit parlement via een bijzonder decreet beslist dat het gemeenschapsonderwijs, het neutrale onderwijs dat de gemeenschap organiseert, autonoom georganiseerd wordt.

In tegenstelling tot de Franse Gemeenschap in dit land, waar de regering de inrichtende macht is van het gemeenschapsonderwijs, is de Vlaamse Regering niet de inrichtende macht van het gemeenschapsonderwijs. Bij ons is dat de raad van het GO!

Dat betekent dat de raad van het GO! en de andere inrichtende machten voor het gesubsidieerde onderwijs grondwettelijk bevoegd zijn om het onderwijsproject en het pedagogische project te bepalen, inclusief de kwestie of iemand al of niet een hoofddoek mag dragen. In ons decretale onderwijsbestel in Vlaanderen komt die bevoegdheid niet toe aan een minister of regering.

En ook u, als parlement, mag zich daar in de huidige stand van de regelgeving niet over uitspreken. Die bevoegdheid is volledig gedelegeerd aan de raad van het gemeenschapsonderwijs.

Het is ook belangrijk om te weten dat we op voorhand geen enkele vorm van censuur kunnen en mogen uitoefenen. Ik heb door het bijzonder decreet ook achteraf niet de mogelijkheid om een beslissing van het GO! te toetsen aan een opportuniteit of een wettelijkheid.

Het enige wat ik als minister kan doen, en wat elke burger kan doen die zich benadeeld voelt door een beslissing van het GO!, is naar een rechtbank stappen. Als minister heb ik geen klassieke voogdij over het GO!. Ik heb geen regeringscommissaris die beslissingen kan schorsen. Ook dat is belangrijk om in het achterhoofd te houden.

Vroeger zei Open Vld altijd dat ik te voortvarend was. Nu zegt men dat ik bedachtzaam ben, en het is weer niet goed. Open Vld en anderen, onder wie de heer Bouckaert, stellen nu dat ik een dadendrang moest vertonen, dat ik op de barricaden moest gaan staan. In een maatschappelijk zo belangrijk debat als dit vind ik dat net het stomste wat een minister van Onderwijs op dat moment kan doen.

Bovendien zitten we hier eigenlijk een beetje met een veenbrand. Zoals u weet, smeult een veenbrand onder de grond. Welnu, dit debat is in 2003 en 2004 door een zekere Patrick Dewael in gang gezet. Sindsdien is dat debat blijven smeulen. Sommigen dachten dat het geblust was, maar net zoals bij een veenbrand kwam het af en toe weer aan de oppervlakte. We hebben hier dus een maatschappelijk debat dat nog niet uitgekristalliseerd is en dat af en toe, met wisselende hevigheid, weer naar boven komt.

Ik heb heel bewust geen dadendrang getoond, omdat ik dat op dat moment ongepast vond.

Het is niet aan een minister om in de plaats te treden van de bevoegde organen. Uiteraard heb ik met iedereen informele contacten gehad, maar dat wil nog niet zeggen dat ik mijn mening kan of wil opleggen. Ik ben dus heel bewust voorzichtig en bedachtzaam te werk gegaan.

Ik heb soms een beetje de indruk dat niet iedereen de afgelopen dagen geluisterd heeft naar het nieuws. Ik zal nog eens herhalen wat ik gezegd heb, in chronologische volgorde. Om te beginnen heb ik klaar en helder gezegd dat voor mij iedereen het recht heeft om op zijn kop te zetten wat hij wil.

Wie iets op zijn hoofd wil zetten, doet dat maar. Het wordt een probleem als mensen gedwongen worden iets op hun hoofd te zetten. Iedereen weet - ik woon in een gemengde buurt en ik zie het op straat - dat in bepaalde wijken, in bepaalde groepen van de samenleving, meisjes gedwongen worden om iets op hun hoofd te zetten. Of ze dat willen of niet, laat ik nog in het midden. Vaak worden ze gedwongen door hun oudere broers. Dat is een probleem. Tussen de principes van op uw hoofd te kunnen zetten wat u wilt en het recht die vrije keuze te maken om op uw hoofd te zetten wat u wilt, moeten we een evenwicht vinden.

Dat is de kern van de zaak waar het hier om draait. Tot nu toe vond de Raad van het Gemeenschapsonderwijs dat de lokale scholen dat evenwicht moesten zoeken. Als ik me niet vergis, heeft ook mijn voorganger - met instemming van velen hier - voortdurend dat standpunt aangehouden. Het is aan de lokale scholen.

Er is dan maatschappelijke druk ontstaan om een algemene regel in het leven te roepen. Men heeft me gevraagd of er een algemene regel moet komen. Mijn antwoord was dat ik het wijs zou vinden - zou, want ik ben voorzichtig - dat er binnen het gemeenschapsonderwijs zo'n regel komt. Ik zou het wijs vinden dat die er ook binnen het vrij onderwijs komt.

Het zou nog wijzer zijn dat het dezelfde regel is. Ik wil me niet uitspreken over de inhoud van die algemene regel. Dat is niet mijn opdracht. Ik kan veel algemene regels bedenken. Een algemene regel kan ook een kader zijn dat later door de lokale scholen wordt toegepast, al of niet gevalideerd door de centrale raad. Ook dat is een algemene regel. Men kan het begrip  'algemene regel' op verschillende manieren interpreteren. Dat was mijn tweede verklaring.

Een derde verklaring ging over de moslimschool. Ik was de eerste politicus om daar een verklaring over af te leggen. Zaterdagmorgen vroeg ik aan de moslimgemeenschap om daar nog eens goed over na te denken, omdat ik het helemaal geen goed idee vind om een moslimschool op te richten. Ik kom daar zo dadelijk op terug.

Mijnheer Bouckaert, ik ben in mijn communicatie heel duidelijk geweest. Ik ben altijd heel bedachtzaam geweest, ja. Dat moet de bevoegde minister in dit geval doen.

Er zijn heel wat concrete vragen gesteld over de leerplicht. Ik leerde al in het Brussels parlement, mevrouw Van Steenberge, dat uw partij haar wensen vaak voor werkelijkheid houdt.

Ook hier is dat blijkbaar het geval. U bent met een intentieproces begonnen. Daarin deel ik de mening van mevrouw Meuleman. U doet alsof de stad Antwerpen haar plicht niet nakomt, alsof er op dit moment ontzettend veel kinderen zouden ontsnappen aan de leerplicht, alsof wij dat niet zouden controleren, alsof we daar niet mee begaan zouden zijn. Er zit wel een beetje een vooroordeel in uw vragen, als ik dat mag zeggen. U zult zo dadelijk zien dat het niet op de feiten gestoeld is.

Ik vind ook dat u een heel bizarre redenering maakt. Als een stads- of gemeentebestuur een manifestatie toestaat, betekent dat niet dat men het eens is met de betogers. Gelukkig bestaat er in dit land zoiets als de vrije meningsuiting. (Rumoer bij het Vlaams Belang)

Dat bestaat! U bent er het bewijs van. (Rumoer)

Of u het daar nu mee eens bent of niet, het bestaat. We moeten dat recht op vrije meningsuiting in onze democratische rechtsstaat behouden. Het is niet omdat de stad een manifestatie toestaat, dat ze verhindert dat kinderen naar school gaan. Ze weet op dat moment trouwens niet wie er gaat betogen.

Ik heb in dat verband aan de media gezegd - u kunt die opnames opvragen - dat ik het onaanvaardbaar vind dat kinderen verhinderd worden naar school te gaan als ze naar school moeten gaan. Leerplichtige kinderen moeten tijdens de schooluren niet manifesteren. Ze moeten op de schoolbanken zitten. Dat heb ik net zo duidelijk gezegd aan de pers.

Bovendien vind ik dat ouders die hun kinderen willen inschrijven in een school niet, verhinderd mogen worden om hun kinderen in te schrijven. Dat spreekt voor zich. Als daar problemen rond zijn, moet de lokale politie optreden.

Ik antwoord op uw concrete vragen. Uw eerste vraag ging over de toelating voor de betoging en het spijbelactieplan. Dat plan was een heel goede zaak. Mijn partij was een van de grote pleitbezorgers van het plan, uitgewerkt door toenmalig minister Vandenbroucke.

Beide athenea, Antwerpen 1 en Hoboken, zijn scholen van het GO! De stad Antwerpen is geen inrichtende macht, maar wel de scholengroep 1 van het GO! In de veronderstelling dat heel wat leerlingen de voorbije dagen ongewettigd afwezig waren, zal het schoolbestuur deze afwezigheden registreren als problematische afwezigheid.

De regelgeving zegt dat bij problematische afwezigheid in eerste instantie de school zelf de begeleiding opstart om de leerlingen naar school te krijgen. Dat is gebeurd.

De beide directies en de scholengroep pleegden de voorbije dagen constant overleg met de betrokken leerlingen en ouders om hen terug naarschool te laten gaan. Vanaf tien halve dagen problematische afwezigheid wordt ook het CLB ingeschakeld om de leerling te begeleiden. Indien de leerling dan nog blijft spijbelen, kan het dossier aan het ministerie worden overgemaakt als een zorgwekkend dossier. Het ministerie kan dan op zijn beurt beslissen om het parket in te schakelen.

Indien er echter lokaal goede samenwerkingsafspraken en mogelijkheden zijn om spijbelaars op te vangen - het zal u misschien spijten, maar in Antwerpen, met het centraal meldpunt, is dat zeker het geval - dan wordt geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een zorgwekkend dossier aan het ministerie over te maken. De betrokken scholen hebben contact gehad met het centraal meldpunt en werkafspraken gemaakt.

In Antwerpen worden in het algemeen en ook in dit geval alle leerlingen met tien halve dagen problematische afwezigheid gemeld aan het centraal meldpunt. Dat begeleidt deze leerlingen en gaat na welke stappen er voor de jongere het best worden gezet.

Dat kan gaan van het doorverwijzen naar een geschikt project tot het inschakelen van politie en/of parket indien nodig. In de huidige situatie is de reden voor de afwezigheid van de leerlingen bekend en hoeven de scholen en het CLB ze dus niet meer te achterhalen.

De begeleiding blijft echter wel noodzakelijk om er de ouders en de leerlingen zelf van te overtuigen hoe belangrijk regelmatig schoolbezoek is voor leerplichtige leerlingen en wat de gevolgen kunnen zijn van een volgehouden ongewettigde afwezigheid.

Het feit, mevrouw Van Steenberge, dat u niets gemerkt hebt van eventuele maatregelen, betekent niet dat de zaken op hun beloop worden gelaten. Het is zelfs geruststellend dat dat loopt zonder dat u het ziet.

Bovendien heeft de stad, zonder zelf inrichtende macht te zijn, al op 4 september een maatregel genomen die het leerrecht van de leerlingen uit beide scholen ten goede komt door betogingen aan de schoolpoorten te verbieden. Door deze betogingen konden leerlingen die op een van deze plaatsen schoollopen, niet op een rustige manier naar school gaan en er de dag doorbrengen. Het stadsbestuur nam die maatregel omdat het verantwoordelijk is voor de rust en orde op straat. Het is niet aan mij als Vlaams onderwijsminister om te beoordelen of een stad al dan niet op het juiste moment een bepaalde maatregel heeft genomen. Dat punt kunt u eventueel op de Antwerpse gemeenteraad bespreken, maar ik spreek me daar niet over uit.

Het is niet aan mij om te oordelen over de manier waarop burgemeesters aan hun plicht om orde en rust op straat te waarborgen, uitoefenen.

Volledigheidshalve wil ik melden dat het zeer goed mogelijk is dat bepaalde leerlingen zich uit een van de betrokken scholen hebben uitgeschreven en zich in een andere hebben ingeschreven.

In dat geval voldoen deze leerlingen wel aan de leerplicht. Ze kunnen desgevallend ook opteren voor huisonderwijs. Dat moet gemeld worden bij mijn ministerie op de dag dat het begint, en geen twee weken later of zo. Dergelijk huisonderwijs is onderworpen aan de controle van de inspectie en die is in de afgelopen maanden strenger geworden. Er zullen voortaan twee inspecteurs ter plaatse gaan en de leerling moet bij de inspectie aanwezig zijn.

Ik geloof dat het de heer Van Dijck was, ik ben het volmondig met hem eens, die stelde dat huisonderwijs de uitzondering moet blijven.

Ik heb dit weekend aan de media gezegd dat ik vind dat scholen een weerspiegeling van desamenleving moeten zijn en dus een mix van kinderen moeten hebben. Maar het is ook heel belangrijk voor de sociale interactie en voor het leren omgaan met elkaar dat men van kleins af aan naar school gaat. Huisonderwijs kan - er is in voorzien in onze regelgeving - maar moet de uitzondering blijven en mag zeker niet de regel worden of uitgebreid worden.

De scholen zelf zijn de eerste lijn bij de leerplichtcontrole en hebben uiteraard alle afwezigheden genoteerd. Alle secundaire scholen zijn verplicht om voor hun leerlingen de inschrijvings- en aanwezigheidsgegevens op de eerste, tweede en derde schooldag via een elektronische zending aan het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) te melden.

 De scholen hebben daartoe de tijd tot uiterlijk de dertiende schooldag van het schooljaar. Als u vlug kan tellen, dan weet u dat de dertiende schooldag van het schooljaar nog niet is bereikt. Pas als alle scholen een dergelijke elektronische zending hebben gedaan, beschikt AgODi over een volledig bestand om de controle op de leerplicht te kunnen starten. De elektronische zendingen van beide scholen zijn nog niet in het bezit van AgODi, net zoals van vele andere Vlaamse scholen. Op die manier wordt vanuit AgODi de leerplicht opgevolgd. Deze leerplichtcontrole start dus met de hogervermelde elektronische zendingen.

Kort samengevat zet AgODi dan de volgende stappen: indien de leerlingen in de zending ofwel doorgegeven zijn als problematisch afwezig ofwel doorgegeven zijn als een combinatie van problematisch afwezig en niet-ingeschreven, dan krijgen ze een brief waarin naar de wet op de leerplicht wordt verwezen. Het belang om aanwezig te zijn vanaf de start van een schooljaar om geen achterstand op te lopen, wordt hierbij benadrukt. Indien de leerlingen één dag wel aanwezig waren, dan wordt er geen brief verstuurd.

Indien de leerlingen doorgegeven zijn als niet-ingeschreven ofwel totaal niet voorkomen in de zending derde schooldag, maar wel ingeschreven zijn op 1 oktober, dan krijgen hun ouders een brief om erop te wijzen dat hun kinderen ingeschreven moeten zijn vanaf het begin van het schooljaar. Indien leerlingen noch ingeschreven waren op de eerste schooldagen, noch op 1 oktober, dan vallen zij onder de gewone procedure van de leerplichtcontrole.

Wordt de deelname aan een protestmanifestatie geclassificeerd als een wettige afwezigheid en welke acties ondernemen we? U weet wellicht dat het begrip gewettigde afwezigheid wordt gedefinieerd door een besluit van de Vlaamse Regering van 16 september 1997 betreffende de controle op de inschrijvingen van leerlingen in het secundair onderwijs of in het stelsel van leren en werken. Afwezigheden kunnen hetzij van rechtswege, hetzij door de school worden gewettigd.

Afwezigheden ten gevolge van een deelname aan protestmanifestaties zijn alleszins geen van rechtswege gewettigde afwezigheden. De van rechtswege gewettigde afwezigheden worden limitatief opgesomd. Het gaat vooral over leerlingen die enkele dagen ziek zijn, maar hiervoor een doktersbrief hebben en over leerlingen die een begrafenisplechtigheid of familieraden bijwonen.

Als een afwezigheid niet van rechtswege kan worden gewettigd, dan betekent dit niet noodzakelijk dat de leerling problematisch afwezig is. De school kan de afwezigheid immers alsnog wettigen, indien ze van oordeel is dat er een reden voor is. De verantwoordelijkheid voor deze beslissing werd bij de scholen gelegd - terecht - omdat zij het best de persoonlijke situatie van de leerlingen kunnen inschatten en op basis daarvan kunnen beslissen of er opportune redenen zijn om een afwezigheid te wettigen. In principe is de appreciatiebevoegdheid van de school hierover dus helemaal vrij.

Samenvattend, elke afwezigheid resulteert in een trapsgewijze aanpak: eerst door de school, vervolgens door de school en het CLB en dan via de lokale samenwerkingsafspraken of via het ministerie en desgevallend het parket.

In de huidige stand van zaken zijn de afwezigheden in beide athenea nog een zaak van de betrokken scholen zelf, eventueel al met bijkomende begeleiding door het CLB. Ook het centraal meldpunt zal optreden.

Behoort de terugvordering van de schooltoelage tot de mogelijkheden? U weet wellicht dat een leerling pas het recht op een schooltoelage verliest als hij twee schooljaren op rij telkens 30 halve dagen problematisch afwezig was. In dat geval behoort een terugvordering van de schooltoelage inderdaad tot de mogelijkheden. Dat is de regel.

Hier is een nuance nodig. Zelfs indien de afwezigheden van de protesterende leerlingen als problematisch moeten worden beschouwd, dan leidt dit op zichzelf niet tot het verlies van het recht op een schooltoelage. Door te bepalen dat de leerlingen 30 halve dagen problematisch afwezig moeten zijn en dit bovendien twee schooljaren op een rij, worden immers enkel

hardnekkige spijbelaars geviseerd die ondanks begeleidingsmaatregelen van de school en het CLB systematisch verder blijven spijbelen. Wie vandaag demonstreert tegen het hoofddoekenverbod - maar het eigenlijk niet hoeft te doen als men leerplichtig is -, dreigt door dat loutere feit niet zijn schooltoelage te verliezen. Volledigheidshalve moet ik u nog vertellen dat elke leerling uit het secundair onderwijs die is uitgeschreven en niet binnen 15 kalenderdagen ergens opnieuw is ingeschreven, het recht op een schooltoelage verliest. Dat is de regel.

Er werden ook vragen gesteld over de beslissing van de Raad van het Gemeenschapsonderwijs.

Ik heb informeel contact gehad met het gemeenschapsonderwijs en met andere actoren zoals het Vlaams Secretariaat van het Katholiek Onderwijs en met mensen uit de moslimwereld die blij zijn met de aanpak die we tot op heden hebben gehanteerd.

Men is blij met de bedachtzame manier waarop we omgaan met 'beide strekkingen' in de samenleving. Als men verantwoordelijk wil zijn, moet men niet dramatiseren. Dat wil niet zeggen dat men moet minimaliseren, maar men moet zijn kalmte bewaren en nagaan hoe we voor deze uitdaging een oplossing zullen vinden. Hoe kunnen we een oplossing vinden die duurzaam is en goed voor iedereen? Hoe kunnen we al die talenten van al die kinderen op een maximale manier in een gelijkekansenomgeving laten ontplooien, zoals mevrouw Hostekint terecht opmerkt?

In mijn contacten met het gemeenschapsonderwijs heb ik gewezen op de mogelijkheid dat een absoluut hoofddoekenverbod grondwettelijk niet in orde is. Ik kan niet meer doen dan erop wijzen dat het juridisch niet eenduidig is om een ergelijke beslissing te nemen. Ik ben zelf jurist van opleiding. Ik heb ook niet gezegd dat het ongrondwettelijk is.

Uiteindelijk zal hetzij de Raad van State, hetzij het Grondwettelijk Hof een beslissing nemen. Ook dat is een regel in een rechtsstaat. Als grondrechten in het gedrang of in het geding komen, dan is het meestal het hoogste rechtscollege dat daarover zal oordelen. Maar ik heb het GO! erop gewezen dat er mogelijkerwijze een probleem kan zijn met de grondwettelijkheid. Informatie geven zonder mij in de ene of andere richting uit te spreken, is het enige wat ik kan en mag doen. Ik vind dat ik als minister neutraal moet blijven, maar wel argumenten en analyses moet geven van wat ik denk dat relevant kan zijn om tot een beslissing te komen.

U hebt terecht opgemerkt dat de maatregel van het GO! ook slaat op het volwassenenonderwijs en dus ook op de basiseducatie. In de toekomst kan dit dus problematisch zijn voor de integratie van mensen die het goed menen. Een reflectiemoment over de draagwijdte van die beslissing is toch nog wel aangewezen.

In welke mate dit in overeenstemming is met het actief pluralisme, is een afweging die niet aan mij toekomt maar wat in de commissie of in het parlement moet worden beoordeeld. Dat is een taak van de debatten. Ik mag dat zelfs grondwettelijk niet beoordelen.

Tussen uw persoonlijke mening geven en uw mening als minister van Onderwijs, is een verschil.

Ik vind dat ik me moet beperken. Als ik spreek, moet dat in de regel zijn als minister van Onderwijs en niet om mijn diepste individuele persoonlijke overtuiging in dezen te geven.

Het is niet aan mij om te oordelen of dat in overeenstemming is, het is aan de raad om dat te doen. Als mensen het daar niet mee eens zijn, moeten ze de rechtsmiddelen die te hunner beschikking zijn, gebruiken.

Ik kom tot de moslimscholen. Mijnheer Dewinter, het zou interessant zijn te weten of u een pleidooi hebt gegeven om de joodse scholen af te schaffen. Ik weet niet of u zo ver wilt gaan en die regeling wilt toepassen op de moslimscholen, en zeggen dat vrijheid van onderwijs niet kan en mag.

De heer Bouckaert heeft vandaag ook een aantal uitspraken gedaan die de vrijheid van onderwijs in twijfel trekken. Ik dacht dat iedereen in deze gemeenschap het erover eens was dat de vrijheid van onderwijs een van de belangrijkste principes van ons onderwijslandschap is. Dat is trouwens in de Grondwet ingeschreven, daarom is het ook zo belangrijk. Dat betekent dat u die regel niet moeten gebruiken wanneer het u uitkomt en vergeten wanneer het u niet uitkomt. Dat is iets voor landen in Zuid-Amerika maar niet voor bij ons. Wij hebben een rechtsstaat en er zijn regels. Die passen we toe.

Ik kan en wil als minister van Onderwijs niet verbieden dat er moslimscholen of scholen gebaseerd op de islamitische godsdienst of met een pedagogisch project dat daartoe leidt, worden opgericht. Ik kan en mag dat grondwettelijk niet. Iedereen, natuurlijke personen en rechtspersonen die aan een aantal voorwaarden voldoen, heeft het recht om een school op te richten. Wij zullen met onze kwaliteitsinstrumenten, zoals eindtermen, ontwikkelingsdoelencontrole en inspectie, nakijken of een school erkend kan worden, of ze gefinancierd kan worden en of ze diploma's kan uitreiken.

Wij kunnen en willen in ons onderwijssysteem niet verbieden dat iemand een school opricht.

Wil dat nu zeggen dat ik voorstander ben van moslimscholen? Ik ben daarover dit weekend, als eerste uit de politieke wereld, heel duidelijk geweest: neen. Ik vind het geen goed signaal naar de samenleving en in de eerste plaats naar de jonge medeburgers, al dan niet Vlamingen, die het islamgeloof belijden, om hen apart op te voeden.

Ik vind dat scholen een weerspiegeling moeten zijn van de samenleving. Dat betekent dat er een sociale mix moet zijn. Wij lopen op straat door elkaar, dat moet op de scholen ook zo zijn. Als elke groep in de samenleving begint met zijn eigen scholen op te richten, dan hebben we een fundamenteel probleem want dan zullen we niet meer tot samenleven komen. Daarom heb ik de moslimgemeenschap in dit land gezegd dat ik dat geen goede optie vindt, ook al is die gemeenschap zwaar verdeeld.

Het is niet omdat één zelfverklaarde spreekbuis van die gemeenschap uit Antwerpen iets verklaart, dat iedereen dat wil. Als ze het echter willen doen, kunnen we dat ook niet verhinderen. Je moet op een correcte manier de wetgeving interpreteren en toepassen.

Mijnheer de voorzitter, tot slot zijn hier vragen gesteld over de dialoog. Ik heb al aangegeven dat ik met verschillende actoren informele contacten heb gehad. Uiteraard spreek ik met meerdere mensen. Mijnheer Keulen, u zult in mijn beleidsverklaring meer dan aanzetten terugvinden voor hoe we die samenlevingsuitdaging kunnen aanpakken. Ik wil me de komende dagen niet op stang laten jagen. Dit is een te belangrijk debat om holderdebolder in een misplaatste dadendrang nu plotseling op een week tijd een samenlevingsuitdaging te willen oplossen.

Het gaat over iets dat de afgelopen zes jaar, onder andere onder uw commando, mijnheer Keulen, niet is gelukt. Ik vind het te belangrijk om in één week te regelen. Dat betekent dat we in alle rust en kalmte de komende weken, maanden en jaren - want degenen die willen doen geloven dat het een kwestie is van enkele weken om tot een oplossing te komen, zijn niet correct ten opzichte van onze samenleving - zullen proberen om tot een gezamenlijke oplossing te komen voor de samenleving met alle mensen, of die nu gekleurd zijn, wit bruin of zwart, en welke overtuiging ze ook hebben. We moeten leven in verscheidenheid en samen proberen een antwoord te bieden. De nieuwe Vlaamse Regering zal die uitdaging zeker opnemen.

...

De heer Boudewijn Bouckaert: Mijnheer de minister, ik dank u voor uw antwoord, ook voor het uitgebreid antwoord over spijbelen. Ik ken nu de regelgeving. Ik zal ze vanavond voorlezen aan mijn dochter zodat ze weet waar ze zich moet aan houden.

Mijnheer de minister, u hebt in de loop van augustus 2009 goed gestudeerd. Het doet me plezier dat u een eeuwige student bent. Ik ben dat ook. Ik heb echter de indruk dat u vooral zaken hebt bestudeerd waarvoor u in feite niet bevoegd bent. De zaken waarvoor u eventueel bevoegd zou kunnen zijn, hebt u niet bestudeerd. U hebt niet bestudeerd in welke mate u uw bevoegdheden maximaal zou kunnen benutten.

Het beeld van de veenbrand klopt. We weten dat die brand daar smeult. Het probleem dateert niet van de vorige maanden. Het is een moeilijke problematiek. Ik noem het met een groot woord zelfs een beschavingsproblematiek.

Ik vind het dan ook ergerlijk dat de Vlaamse Regering dit punt niet op de eigen agenda heeft geplaatst. Dat heeft niet alleen met u te maken.

De Vlaamse Regering had hiervan een project kunnen maken en had zich kunnen voornemen dit tijdens deze legislatuur uit te werken.

Natuurlijk vraag ik u niet in de plaats van het gemeenschapsonderwijs te treden. Ik ben ook jurist. Ik weet dat u dat niet mag doen. Op dat vlak hebt u juist gehandeld. U moet zich niet in de plaats van het gemeenschapsonderwijs stellen. U kunt echter, samen met de rest van de Vlaamse Regering en in samenwerking met het Vlaams Parlement, wel denksporen ontwikkelen.

Ten opzichte van de moslimscholen voert u een ontradingspolitiek. Dat lijkt me de juiste houding. U raadt de moslimgemeenschap af eigen scholen op te richten. U gebruikt hiervoor echter een raar argument. U zegt dat de komst van moslimscholen de sociale mix op de helling zou dreigen te zetten. Er zijn ook katholieke scholen, Joodse scholen en methodescholen.

Ik denk niet dat al die scholen een sociale mix hebben.

In Vlaanderen is nu eenmaal voor het verticale pluralisme en niet voor het horizontale pluralisme gekozen. Omwille van de historische omstandigheden lijkt me dat een juiste keuze. Dit houdt echter in dat de sociale mix in de scholen niet wordt gerealiseerd en misschien ook niet moet worden gerealiseerd.

Er is een ander argument om de oprichting van islamscholen te ontraden. Het gevaar dreigt immers dat het niet om islamscholen maar om madrassa's zou gaan. We moeten eens nadenken waar we op civiel vlak de lijn willen trekken.

Tot slot zou ik willen opmerken dat hier steeds voor het voeren van een dialoog wordt gepleit.

We moeten dialogeren met mensen die dat willen. We moeten niet dialogeren met mensen die een mes achter de rug houden. We moeten niet dialogeren met mensen die een verborgen agenda hebben en die de waarden van onze beschaving willen vernietigen.